|

In september 2006 trekt een dodelijke steekpartij met rumoerige nasleep in de Indische Buurt in Amsterdam landelijke aandacht. De negatieve berichtgeving over de buurt bereikt een hoogtepunt, en kranten en televisieprogramma's buitelen over elkaar heen met het ene alarmerende verhaal na het andere. In de Indische Buurt staan verschillende bevolkingsgroepen lijnrecht tegenover elkaar, klinkt het, en maken rivaliserende bendes de straten onveilig. De buurt staat, kort gezegd, op ontploffen.
Buurtbewoner en fotograaf Maarten Tromp loopt heen en weer tussen zijn televisie en het raam. Woont hij echt in dezelfde buurt als waar op televisie over gesproken wordt? Natuurlijk, de sfeer in de Indische Buurt is anders dan in de gemiddelde Vinex-wijk. Zo'n zestig procent van de inwoners is van niet-westerse afkomst. De bevolking is relatief jong en laagopgeleid. Nergens in de stad is het percentage lage inkomens zo hoog als in het westelijke deel van de buurt. Maar het is in de Indische Buurt ook veiliger dan gemiddeld in Amsterdam. Tromp ervaart de buurt door haar afgezonderde ligging achter het spoor bovendien als een oase van rust in de gejaagde stad. Een buurt met een eigen karakter, dorps en grootstedelijk tegelijk. De Indische Buurt die hij kent, is een heel andere dan die hij op televisie ziet.
Tromp is op dat moment al bezig met een fotoproject over zijn buurt, mede in reactie op de beeldvorming in de media en de politiek. Het mediaspektakel rond de steekpartij sterkt hem in de overtuiging dat dit belangrijk werk is. Nu, twee jaar later, ligt zijn boek in de winkels: De buurman, z'n ex en de eigenaar van de wasserette.

Eenzijdig en veelal negatief, zo noemt Tromp het beeld dat de media schetsen. 'Enerzijds is het de bekende hang naar sensatie: goed nieuws is geen nieuws en slecht nieuws verkoopt. Anderzijds is het ook luiheid en gemakzucht. Het is veel makkelijker om in hetzelfde straatje te blijven hangen dan om een keer een stap verder te gaan en om de hoek te kijken.'
De invloed van de beelden uit de media moet volgens Tromp niet onderschat worden. Ze beïnvloeden wat mensen zien als ze over straat lopen, en dat zit hem ook in de kleine, onopvallende dingen. 'Als er op het NOS-journaal bijvoorbeeld een item is over de hoge werkloosheid onder allochtonen, krijg je daar standaard beelden bij te zien van een markt in Amsterdam of Rotterdam met Turkse of Marokkaanse vrouwen in lange jurken, die anoniem en schichtig voorbij schuifelen. Iedere keer wordt er uit dezelfde doos archiefmateriaal zo'n fragment gehaald. Op het moment dat je zelf over zo'n markt loopt, krijg je daardoor automatisch de associatie met die negatieve berichten over die allochtonen die er na vijftig jaar nog steeds niets van bakken.'
Met zijn boek wil Tromp de strijd aangaan met de beeldvorming in de media en mensen met hun gekleurde blik confronteren. Zijn foto's tonen in een eerste oogopslag vaak de bekende beelden van straatcultuur in arbeiderswijken, maar verraden bij nadere beschouwing de nuances die daarachter schuilgaan. Bij een eerste blik op het omslag van het boek zien we een groep Hindoestaanse jongens dreigend op ons aflopen. Zijn dat knuppels in hun handen? Nee, het zijn cricketbats. De jongens lopen terug van een wedstrijdje in het park. Op een andere foto poseren drie jonge Marokkanen in hiphopkleding stoer voor de camera. Ze lijken zich heel wat voor te stellen van het plaatje, maar zien niet dat een bejaarde vrouw op de achtergrond geamuseerd toekijkt.

'Ik vind het leuk om te werken met de suggestie,' zegt Tromp. 'Je reikt iets aan in een foto, en vertelt maar een deel van het verhaal. Een foto roept vragen op en laat tegelijkertijd de ruimte open voor je eigen invulling. Hierdoor ben je genoodzaakt je eigen verhaal te creëren, waarbij je vroeg of laat altijd je vooroordelen tegenkomt.'
Steeds was Tromp op zoek naar intieme beelden, en die leverden de beste foto's op. Opvallende en onopvallende buurtbewoners laten iets van zichzelf zien, waardoor we na één foto al het gevoel hebben ze een beetje te kennen. 'Door naar individuele karakters te kijken,' stelt Tromp, 'kom je los van je bevooroordeelde blik. Iedereen heeft een bijzonder karakter, maar je moet het wel kunnen en willen zien. Een gevoel van onveiligheid hangt vaak samen met de angst voor het onbekende, en dat is uiteindelijk een van de dingen waar dit boek over gaat: de identificatie met iemand waar je normaal gesproken niet naar om zou kijken of zelfs met een grote boog omheen zou lopen.'
|