|
Het was wel duidelijk dat onze helden zich in een lastig parket bevonden, en het moest verdomd ook niet veel gekker meer worden: de auto lag nu helemaal uit elkaar en niemand wist meer wat waar moest. 'Het moet nu echt niet heel veel gekker meer worden jongens,' zei Japie. 'We hebben ons lelijk in de nesten gewerkt.' 'Die Bergsteiger fanden sich in einer heiklen Lage,' zei Bert. 'Voulez-vous verifier la pression des pneus, s'il vous plaît?' zei Theo. 'Meer weet ik ook niet,' zei Bert. 'Leuk, gymnasium.' Hij begon zachtjes te huilen. Japie klom op het dak van de grijsgroene Nissan Primera en keek om zich heen. 'Aan de ene kant alleen maar water en aan de andere kant alleen maar gras,' zei hij. 'Het zit ons ook bepaald niet mee.' Japie, die wel gevoel had voor dramatiek, zag de drie jongens en de auto in zijn hoofd al steeds kleiner worden, doordat de camera bevestigd was aan een opstijgende helicopter. 'En er komt ook nog geen andere auto aan?' vroeg Theo. 'Nee, ik zie er geen,' zei Japie. 'En ik zie het er vandaag eigenlijk ook niet meer van komen eerlijk gezegd.' 'Man, man, hoe krijg je het toch elke keer weer voor elkaar,' zei Theo. 'Ik ga wel hulp halen,' zei Bert snikkend. 'Ik weet het anders ook niet.' En hij stond op. Japie sprong van de auto en legde een hand op de schouder van Bert. 'Nee Bert, wie weet hoe ver het is. De zon gaat zo onder en we moesten maar een slaapplaats gaan zoeken. Het wordt een koude nacht. Om het over beren nog maar niet te hebben.' Het werd een koude nacht, en hoewel van beren geen sprake was, hadden de jongens het bepaald niet gemakkelijk; het gras was nat en het asfalt was keihard. 'Als we eens om hulp riepen?' smeekte Bert nog. Maar Japie wilde er niets van weten. Ten slotte zijn ze lekker met zijn drieën in de achterbak van de auto gekropen, met de klep op een kier tegen het stikken.
|