|
'Waarom zijn kermissen toch zoveel treuriger dan kerkhoven? Wat is er treurig aan lichtjes, kleuren, muziek en een heleboel gillende meisjes? Het lijkt allemaal zo vrolijk: ieder slecht ingeburgerd marsmannetje zou denken dat een kermis een plek is waar elk mens graag wil zijn, waar het altijd voor iedereen leuk is.
'Ach - hij zou niks voelen van het dieptragische aspect van dit bonte volksvermaak. Heel begrijpelijk. Maar ik, als weldenkend mens, voor wie het treurige van een kermis zo duidelijk voelbaar is, ik zou toch iets van dat gevoel moeten kunnen verklaren! Zou de essentie soms zijn dat je op een kermis uitsluitend irritante lichtjes, vloekende kleuren, kloterige muziek en domme, onaantrekkelijke meisjes tegenkomt? Dat lijkt mij wat mager. Het speelt allicht een rol, maar die combinatie kom je toch wel vaker tegen...'
Zo piekerde de jonge filosoof H. op zijn dagelijkse avondwandeling door het centrum van de hoofdstad. Gewoonlijk meed hij het grote plein, hij hield niet van drukte, maar juist vandaag, nu het ook nog kermis was, had hij besloten om er even te gaan kijken. Al in zijn eigen straat had hij het afschuwelijke gedreun en gegil gehoord, maar op de een of andere manier wilde hij er toch naartoe. 'Zoals een automobilist die remt bij een gruwelijk ongeluk', vond hij zelf.
Er was trouwens nog een reden waarom hij naar het plein toe wilde: al vanaf het moment dat hij die ochtend de gordijnen had opengedaan, was hij nieuwsgierig geweest naar een bepaald apparaat, dat hij vanaf zijn zolderkamertje boven de huizen uit had zien komen: het was een soort kooi met mensen erin, die aan lange elastieken tussen twee hoge palen hing. Een soort katapult. Als iedereen zat, werd de kooi losgelaten. Hij schoot omhoog, vlak langs de gevel van het Paleis, tot hij op het hoogste punt, nét boven het dak, héél even stil bleef hangen. Dan viel hij weer naar beneden, om nog wat na te stuiteren.
De jonge filosoof stond inmiddels onderaan het apparaat en keek omhoog.
'Wat zouden ze daarboven voelen,' dacht hij, 'in dat korte moment van gewichteloosheid? Jammer dat ik zelf zo'n zwakke maag heb. Ik zou het ze domweg kunnen vragen natuurlijk, maar meer dan een paar gillende clichés verwacht ik eerlijk gezegd niet van deze types.'
'Ga maar mee', zei een hondje, dat naast hem kwam staan. Hij schrok. En hoewel hij altijd ontzettend op dieren had neergekeken, vooral trouwens op honden, leek het de jonge filosoof op dit moment maar het beste om mee te gaan.
Het beest voerde hem weg van het plein, naar de zijkant van het Paleis, waar een geheime deur bleek te zijn. Achter de deur bevond zich een trap, en voor hij het wist stond de jonge filosoof op het dak van het Paleis, hoog boven het plein. Hij zuchtte van genot en vermoeidheid, en keek uit over de stad. Maar opeens, met een ijselijk gekrijs en gejoel, schoot er een kooi met mensen uit de diepte omhoog, en bleef een paar meter van hem vandaan stilhangen. Héél even. Maar in dat korte moment keek hij recht in de opengesperde ogen van vier kermisgangers, die plots allemaal zwegen.
De kooi viel gillend terug, en de jonge filosoof deed een stap achteruit, weg bij de rand. Hij keek vertwijfeld naar de hond.
'Zij zullen dit straks niet meer weten,' sprak die. 'Maar het beeld van jou, hier, boven de wereld, dat zo krachtig tot hen is gekomen op een moment van angst en zweven, dat beeld zal diep in hun ziel zijn geëtst. En als jij straks naar beneden gaat, en je bent weer op het plein, dan zullen ze allemaal in een grote kring om je heen gaan staan. En ze zullen wijzen. En ze zullen fluisteren. Maar ze zullen niet begrijpen.'
De jonge filosoof besefte onmiddellijk dat de hond gelijk had. Zo zagen mensen God natuurlijk ook: vol angst, in een flits, heel hoog, als in een droom... Dit was zijn kans op roem, op volgelingen! En opeens wist hij dat die twee dingen, roem en volgelingen, precies waren waar hij altijd voor had geleefd. Deze machine was voor hem gebouwd!
Woesj! Weer een kooi. Verse mensen! Weer zwegen ze, weer staarden ze hem aan - maar deze keer staarde hij terug. En hij wist dat hij ze hypnotiseerde. Als hij nu naar beneden ging, zou hij al acht volgelingen hebben. 'Dat is niet veel,' dacht hij. 'Nog maar even wachten...'
Woesj! Weer vier: twaalf. Woesj!... Zestien. Woesj!...
'Nog ééntje,' dacht hij steeds. 'Het zou toch zonde zijn om nu al terug te gaan.'
En hij bleef staan. Maar na vierentwintig lanceringen - er zouden nu al zesennegentig mensen om hem heen komen staan als hij beneden kwam - voelde hij dat het klaar was. Hij keek naar de hond. De hond keek terug. En H. liet zich vallen.
|