|
3. Manzanar
Ze vraagt of we Duitsers zijn. Dat denkt men wel vaker, hier in Amerika. Ik vertel dat we uit Nederland komen. "Wat leuk!" zegt ze. "Mijn zoon is namelijk net terug uit Duitsland. Overigens: als de kinderen straks herrie maken, dan hebben ze gewoon ruzie. Dan moet je op de muur bonken, of op de deur. Volgens mij zijn de muren erg dun in dit motel."
Ik knik.
Onze deur doet raar. We krijgen hem van buiten niet op slot. Haar man schiet te hulp. Hij klautert uit de laadbak van zijn pickup-truck en begint van alles te proberen. Hij sluit zichzelf op in onze kamer, komt weer naar buiten, drijft ons naar binnen, sluit ons op, laat ons er weer uit en slaagt er ten slotte in om de kamer te vergrendelen terwijl er niemand inzit, zodat wij kunnen gaan eten. Hij is vijf voet lang, die vent, maar hij speelt het toch maar klaar.
Zouden die mensen hier zijn om Manzanar te bezoeken? Ze hebben erg veel kinderen en tatoeages... Of zegt dat in Amerika niks over historisch besef? Misschien hebben ze wel gestudeerd.
Trouwens: studeren is ook niet alles, want T. en ik wisten geen van beiden dat er hier een kamp was in de oorlog. U wel misschien, maar ik vertel het toch nog even. Na de Japanse aanval op Pearl Harbor in 1941 liet Roosevelt 120.000 Japanse Amerikanen opsluiten in "war relocation camps". Aanvankelijk werd beweerd dat het was om ze te beschermen tegen boze Amerikanen, maar het prikkeldraad bleek toch echt aan de binnenkant te zitten. Het was er lang niet zo erg als in andere oorlogskampen (er mocht veel en er was genoeg te eten) maar dat neemt niet weg dat al die mensen zonder proces werden opgesloten, enkel en alleen vanwege hun afkomst.
Een pijnlijke affaire, maar laat het aan de Amerikanen over om er een goeie tentoonstelling van te maken. In Manzanar, het kamp waar wij toevallig op stuitten, in een stoffige, winderige vallei onder de Sierra Nevada, hebben ze dat schitterend gedaan. Alles klopt, overal is over nagedacht. Op de wc hangen verhalen over de schaamte van de gevangenen in de wasruimten, in de zaal hangen foto's van barakken, stofwolken en leegstromende bussen, en op een speciale tv draaien continu beelden uit 1988 van Reagan die een schadevergoedingswet tekent.
Maar ook de angst van de blanke Amerikanen wordt uitgelegd, en er is zelfs ruimte voor mooie kampherinneringen. In de souvenirwinkel zijn shirts te koop van de "Manzaknights", een honkbalteam dat in het kamp werd opgericht.
Van de barakken en het prikkeldraad is trouwens weinig meer over; om een beeld te krijgen van hoe het er was, moeten bezoekers het grotendeels doen met houten bordjes met "blok 4" of "postkantoor" erop. Maar die wind, die meedogenloze wind die onafgebroken door de vallei raast en die zoveel gevangenen tot waanzin dreef, die wind is er nog steeds. 
Misschien zijn onze buren wel gewoon op doortocht.
"Duitsland?" zegt T. "Zei ze nou dat haar zoon net terug is uit Duitsland?"
"Ja?"
"Toen ze daarnet kwamen aanrijden, zat dat kind achter het stuur van die pickup-truck. Hij kon er nauwelijks overheen kijken, en zijn ouders zaten naast hem. En toen hij uitstapte, zag ik dat hij van voren een Hitlerkapsel had, en van achteren was kaalgeschoren. Wie stuurt een kind van acht nou naar Duitsland?"
Het is moeilijk om niet gek te worden, hier in de woestijn.
Van Hitler en zijn zusjes hebben we overigens geen last meer gehad, maar hun ouders hebben tot diep in de nacht tegen elkaar staan schreeuwen. Bonzen durfden we niet. *Deze column verscheen eerder in Het Parool van vrijdag 1 mei 2009 4. Pikes peak
Amerikanen worden graag als kinderen behandeld. Je merkt dat bijvoorbeeld in restaurants, waar alles overal hetzelfde moet zijn. Er moet patat zijn, er moeten hamburgers zijn, er moet ketchup zijn, bij de sla moet altijd de keuze bestaan tussen een aantal vaste dressings, de cola moet gratis worden bijgevuld totdat je niet meer kunt...
Waar ik vandaan kom durft geen mens van boven de twaalf toe te geven dat zijn culinaire droomwereld er ongeveer zo uitziet, maar in Amerika lijkt niemand zich te schamen voor deze nationale behoefte. Als toerist wen je er snel aan; binnen een week ben je diep verontwaardigd als het even te lang duurt voordat je lege emmer cola weer wordt bijgevuld.
Waar je niet aan went, als Europeaan, is de manier waarop je tijdens rondleidingen wordt behandeld. "Tray is vandaag de machinist. Zeg allemaal dag tegen Tray!" We zitten nog nauwelijks, er is niets dat ons bindt behalve het tochtje omhoog dat nog moet beginnen, maar het hele treintje roept als uit één mond: "Dag Tray!"
Het moet er al op jonge leeftijd zijn ingeramd, dat kinderachtige gedoe.
"En zeg ook maar even vriendelijk gedag tegen de mensen tegenover je, want we stijgen straks met 25 procent en de kans is groot dat je bij elkaar op schoot eindigt!"
Er wordt gegierd.
"Links ziet u een waterval, die is hoger dan de Niagara Falls. Gelooft u het niet? Het is echt waar, want die beginnen op 561 voet boven zeeniveau, en wij zijn hier op 6000 voet!"
Enzovoorts, tot boven de boomgrens. We zijn hier gekomen voor de top, die ligt op 4300 meter, maar beneden zijn we al gewaarschuwd dat we die vandaag misschien niet zullen bereiken: "Te veel wind, meneer. Veel te gevaarlijk."
Nu staan we inderdaad stil, een paar honderd meter onder de top. We mogen hier niet uitstappen (dan raken we kwijt), maar krijgen bij hoge uitzondering toestemming om op te staan en door het gangpad te lopen. T. en ik zijn de enigen die blijven zitten, en ook de enigen die merken dat het hier, op de laatste witte helling onder de top, volkomen windstil is. 
Waarom rijden we niet verder?
Na vijf minuten maak ik uit het radiogesprek van de machinist op dat de top nu weliswaar begaanbaar is gemaakt - er lag kennelijk sneeuw op het spoor - maar dat de dienstregeling in de war zou raken als we nu alsnog door zouden rijden. We moeten dus terug, terwijl de top toegankelijk is.
"Dames en heren, als u weer wilt gaan zitten voor de afdaling, dan kom ik langs met dvd's en fotoboeken. Dan kunt u plaatjes zien van hoe het op de top is, dat is goedkoper dan later terugkomen als het minder hard waait!"
Iedereen lacht. Zou het moelijk zijn om zo'n attractie te runnen zonder de klanten voor te liegen? Als je kinderen opvoedt schijnt het ook lastig te zijn om altijd de waarheid te spreken.
Dan is het twaalf uur, plaatselijke tijd. We houden twee minuten stilte, op drie kilometer hoogte, te midden van onze bevrijders. Het blijkt voor mij onmogelijk om een zinnige gedachte op te roepen.
Hoeveel mensen hebben hier van Anne Frank gehoord?
Gaat alles wel goed op de Dam?
Is Van Gogh hier bekender dan Rembrandt?
Hoeveel Nederlanders vochten in Korea?
Wie koopt er nou een dvd over een bergtop waar hij niet is geweest?
Beneden vinden we een aardig restaurant, maar we hebben zo'n honger en dorst dat we alleen maar zin hebben in hamburgers, patat en liters cola.
Het wordt tijd om weer naar huis te gaan. 
*Deze column verscheen eerder in Het Parool van vrijdag 8 mei 2009
|