|
Van Gogh had niks met sterrenkunde. Op de tentoonstelling 'Van Gogh en de kleuren van de nacht' in het Van Gogh Museum is dat goed te zien. Sterren schildert hij als dikke gele zonnetjes en de maan wordt belicht zoals geen enkele bol ooit belicht kan worden: het heldere geel reikt zo ver om de schaduw heen dat het donkere gebied een klein, bijna geheel omsloten rondje wordt. Anders gezegd: bij Van Gogh raken de twee uiteinden van het croissantje elkaar haast. In het echt, zoals u weet, gebeurt dat niet. 
Heel wonderlijk is ook het schilderij De sterrennacht boven de Rhône, waarop Van Gogh met grote gele stippen het sterrenbeeld de Grote Beer heeft afgebeeld. Je ziet duidelijk een steelpannetje, het hangt mooi horizontaal boven Arles. Maar de audiotour vermeldt dat Arles vanaf deze brug in het zuidwesten ligt, en daar kan de Grote Beer nooit zo hangen. Bovendien klopt er niks van de onderlinge posities van de sterren: ik kan uit mijn hoofd een betere Grote Beer tekenen dan van Gogh hier heeft gedaan - terwijl hij gewoon over zijn schouder had kunnen kijken om het origineel te zien.
"Nou én?" zult u zeggen. "Het perspectief klopt ook nooit bij Van Gogh, dat wisten we allang. Hij schilderde de dingen zoals híj ze zag en voelde, begrijp je?"
Nee. Sorry, maar dat begrijp ik niet. Dat je de maan groot en geel maakt omdat je dat zo voelt of ziet, dat snap ik. Maar welk artistiek gevoel dwingt een volwassen kunstenaar nou om domweg het meest herkenbare sterrenbeeld van de hemel te kiezen en het zo potsierlijk (en verminkt) boven een stadje te hangen? Waar slaat dat op?
En wat te denken van dat schilderij van een huisje, waarop de bovenkant van de maan nog net tevoorschijn piept boven het dak? Daar weerspiegelt het maanlicht op de natte grond van de tuin die tussen de waarnemer en het huisje ligt, terwijl daar nu juist geen licht kan komen: als de waarnemer door zijn knieën zou zakken, zou hij de maan al niet meer zien. Waarom deed Van Gogh zoiets? Vertelde zijn kunstenaarshart hem dat er per se licht moest zijn in die donkere tuin? Dat weiger ik te geloven. Hij deed maar wat volgens mij, en besefte niet hoe raar het was.
"Zeikerd", zegt u nu. "Het gaat om de kleuren! De tentoonstelling heet niet voor niks 'De kleuren van de nacht'? Die nachtkleuren zijn toch zeker meesterlijk?"
Weer nee. Het spijt mij echt, maar ook hier faalt Van Gogh. In de zeventiende eeuw werden al prachtige 'nachtjes' geschilderd met geloofwaardig maanlicht, en in de tijd van Van Gogh trof Monet op volstrekt onnavolgbare wijze de mistige schemering boven de Theems - beter dan enige kleurenfoto ooit zal kunnen. 
Maar Van Gogh? Het lijkt alsof hij gewoon wat extra blauw door het korenveld smeerde en er een sterretjesbehang boven hing. Zijn avondlicht doet mij nog het meest denken aan een 'nuit américaine', de techniek die in westerns werd gebruikt om nacht te simuleren; een blauw filter voor de lens en een beetje onderbelichten. Het enige verschil is dat Van Gogh geen bandje met krekelgeluiden had. "Is Van Gogh dan een prutser?"
Nee hoor. Maar zijn nacht- en schemerwerk wordt overschat. Mensen die juist dol zijn op die kleuren, moeten dat zelf weten. Maar het is onzin om ze 'de kleuren van de nacht' te noemen, want dat zijn het niet. Het zijn de kleuren van Van Gogh - en dat klinkt aardiger dan ik het bedoel. Want volgens mij is hier de grote vraag: was het 'niet willen' of 'niet kunnen'? *Deze column verscheen eerder in Het Parool van vrijdag 27 februari 2009
|