|

Ik schrijf u vanuit de gevangenis. Ik vraag niet om medelijden of genade, want iedere minuut die ik hier zit heb ik verdiend. Ik mag zelfs blij zijn dat mijn straf nog te overzien is, want als ze de helft van de rottigheid die ik heb uitgehaald te weten kwamen zou ik nooit meer vrijkomen. Maar leuk is natuurlijk anders, want wat doe je de hele dag? Nee, het is hier niet best. Iedere dag wens ik dat Rob van Breukelen nooit in mijn leven was gekomen. Want zijn schuld is het uiteindelijk, dat ik hier zit.
Het moet gezegd worden: die Rob probeerde het in eerste instantie goedschiks. Avond na avond wandelde hij door de slechtste buurten van de stad. Hele nachten bracht hij door op verlaten metrostations. Wanneer er ergens relletjes waren probeerde hij er zo snel mogelijk bij te zijn, en als er een politiewagen met loeiende sirenes langsreed sprong hij onmiddellijk op zijn brommertje. Steeds bleek de rust wanneer hij aankwam echter net weer teruggekeerd.
Dood- en doodmoe werd hij er van. Hij probeerde een spraakmakende politicus te schaduwen, maar verloor hem telkens uit het oog. Hij volgde geldtransporten en bezocht dure seksclubs. Een week lang observeerde hij een juwelierszaak vanuit een geparkeerde auto. In het weekend was hij rond sluitingstijd steevast bij de meest ordinaire disco's en nachtcafés te vinden. Hij hield wacht bij vuilnisbelten en speurde in het water van de grote rivier naar drijvende zakken. Maar er wilde tot zijn frustratie maar niets gebeuren. De krant stond iedere dag vol moord, verkrachting en diefstal, maar Rob was er nooit bij om het met eigen ogen te aanschouwen.
Tijdens de zoveelste vruchteloze nacht in een berucht stadspark verloor Rob zijn laatste restje hoop. Hij had alles geprobeerd, maar plan A was gewoon kansloos. Hoezeer hij er ook tegen opzag, moest hij toegeven dat het nu tijd was geworden voor plan B. 'De valse verklaring,' fluisterde hij plechtig voor zich uit. Rob koos een artikel over een roofmoord uit de ochtendkrant en leerde het uit zijn hoofd.
Zwetend van de zenuwen en de opwinding liep hij het politiebureau tegenover zijn ouderlijk huis binnen. Tot zijn teleurstelling moest hij een intakegesprek voeren, met een gewone agent. Al snel kreeg hij vragen gesteld die hij niet kon beantwoorden. Hoe laat hij zijn hond dan precies had uitgelaten die nacht, bijvoorbeeld - waarom berichtten kranten eigenlijk zo slordig over zulke essentiële details? En hoe zijn hond heette, en hoe oud het dier was - werd de agent nu soms achterdochtig?
Stamelend verklaarde Rob dat hij niet precies meer wist hoe hij tijdens het uitlaten helemaal aan de andere kant van de stad was beland. De agent gaf hem een uitbrander. Aandachtszieke fantasten zoals hij kostten de politie wekelijks uren werk, vertelde hij. Rob verliet het bureau met het schaamrood op de kaken.
Buiten sjokte hij mismoedig naar het oude huis van zijn ouders. Het stond nu alweer enige tijd te koop. Rob vond het nog altijd griezelig om de woning zo leeg te zien. Door het raam keek hij naar binnen, en in gedachten vulde hij de lege ruimte in zoals die er uitzag toen hij er voor het laatst binnen was. Kijk, daar stond de eettafel, en daar de boekenkast. Daar aan de muur hing een poster van Monet, die zijn moeder uit Parijs mee had genomen. Om het hoekje was de open keuken. Daar lag zijn vader in een plas bloed. En daar, door die deuropening, kwam rechercheur Janssen binnen. Rob had nog nooit zo'n mooie vrouw gezien. Het verdriet over zijn vader was hij snel vergeten: een onstuimige verliefdheid eiste al zijn aandacht op.
Robs makke was natuurlijk dat het zo'n eenvoudige zaak was. Vanuit het bureau aan de overkant had een agent zijn moeder zelfs met bebloede deegroller en al naar buiten zien rennen en in haar auto zien wegscheuren. Rob voelde ook niet de behoefte om zijn moeder in bescherming te nemen - hij was altijd al meer een vaderskind geweest - en de zaak was dus snel opgelost. Het verhoor duurde uiteindelijk maar een klein half uur.
Inmiddels wist Rob dat getuigen bij ingewikkelde zaken soms wel urenlang gehoord werden. Urenlang - dan moest er af en toe toch ook even koffie gedronken worden, en kon het gesprek op iets vrolijks komen. Waarom zouden een rechercheur en een getuige niet samen wat grapjes kunnen maken? Voor je het wist werd je dan na het verhoor nog voor een drankje uitgenodigd. Maar nu was het contact met rechercheur Janssen al voorbij voordat hij er erg in had.
Na afloop kon Rob zich wel voor zijn kop slaan. Hij had het gesprek makkelijk kunnen rekken, bijvoorbeeld door ontwijkende antwoorden te geven, door geheugenverlies te veinzen of door in huilen uit te barsten. Hij had de rechercheur in haar oor kunnen fluisteren dat hij alles wilde vertellen, maar dat er groot gevaar was en hij nu niets kon zeggen, dat ze hem die avond om half tien in haar eentje moest ontmoeten in de bar van een groot hotel.
Nu had Rob het voor zichzelf echter heel ingewikkeld gemaakt om rechercheur Janssen ooit nog eens te spreken te krijgen. Plan A werkte niet; plan B dus evenmin. Lange tijd vreesde Rob dat hij met plan C niet eens verder dan de eerste voorbereidingen zou komen. Het was niet makkelijk om aan kleine explosieven te komen, en al helemaal niet om ze ongezien aan de ruit van de telefoonwinkel te bevestigen.
Gelukkig verliep alles zoals gepland. Een rondscharrelende zwerver raapte het kastje op dat Rob voor de winkel had achtergelaten en probeerde eens wat er gebeurde als hij het rode knopje indrukte. Met luid gerinkel knalde de ruit uit elkaar. De zwerver schrok, keek schichtig om zich heen, grisde snel zo veel telefoontjes weg als hij kon dragen en zette het op een lopen. Rob stond aan de overkant van de straat achter een boom - hij had voor de gelegenheid zelfs een hond aangeschaft - en noteerde de uiterlijke kenmerken en vluchtrichting van de zwerver nauwkeurig.
Triomfantelijk liep Rob het politiebureau binnen. Hij constateerde opgelucht dat er nu een andere agent achter de balie zat dan de vorige keer.
'Meneer,' zei de agent.
'Goedemorgen agent,' zei Rob. Hij kuchte. 'Gisteravond laat was ik getuige van een inbraak bij een telefoonwinkel op de Zaanseweg.'
'Juist,' zei de agent, en hij pakte een telefoon op. 'Ik zal rechercheur Stevens, die over deze zaak gaat, even bellen. Neemt u daar plaats?'
'Nou agent,' zei Rob, 'ik beschik over bijzonder gevoelige informatie, en vertrouw die niet zomaar aan iedereen toe, begrijpt u? Eigenlijk wil ik daarom alleen met rechercheur Janssen spreken. Ik ken haar van een eerdere zaak, en zij is de enige die ik vertrouw.'
De agent begon te lachen. 'Rechercheur Janssen?' zei hij, 'die is van moordzaken! Dacht u dat zij tijd had voor een eenvoudige inbraak? De stad staat in brand meneer, achter elke boom staat een verkrachter of een moordenaar, en dan moeten wij onze beste mensen op deze zaak zetten? Stelt u zich niet aan. Uw informatie is heus veilig bij ons. U gaat nu gewoon aan rechercheur Stevens vertellen wat u gezien heeft, en als u dat niet wilt laat ik u arresteren wegens het tegenwerken van politieonderzoek.'
Toen Rob een uur later het bureau verliet, voelde hij een loodzware last op zijn schouders drukken. Bang als hij was om opnieuw voor fantast uitgemaakt te worden had hij de uiterlijke kenmerken van de zwerver correct beschreven. Die arme man, die zonder Robs explosieven nooit die telefoonwinkel beroofd zou hebben, die misschien nog nooit iets gestolen had en dat ook niet van plan was geweest, maar deze uitgelezen kans overmand door honger niet had kunnen weerstaan, zou dankzij Robs aanwijzingen nu wellicht gearresteerd worden. 'Nou lul,' sprak Rob zichzelf toe, 'je mag weer trots op jezelf zijn.'
Toch was het lot van de zwerver niet eens de gedachte die Rob het meest bedrukte. Veel zwaarder nog woog de gedachte die tijdens het wachten op rechercheur Stevens ontstaan was. Rob was tot de conclusie gekomen dat hij nog maar één optie had. Zelfs in zijn gedachten durfde hij die optie niet uit te spreken, en verwees hij er slechts naar met de formule 'plan D'.
|